Cognitieve Gedragstherapie

Cognitieve therapie

De cognitieve therapie gaat er vanuit dat iemands gedachten in een bepaalde situatie de gevoelens en het gedrag beïnvloeden. Er zijn helpende gedachten en storende gedachten. Het opsporen en verminderen van de storende gedachten en het vergroten van de helpende, positieve gedachten is een belangrijk onderdeel van de cognitieve therapie. De positieve gedachten kunnen de gevoelens van het kind of de jongere in gunstige zin veranderen en daardoor verandert ook het doen en laten.

Voorbeeld:

Ciska van 9 durft niet mee te spelen met andere kinderen op het schoolplein.Thuis is ze verdrietig hierover. Ouders en juf moedigen Ciska aan om samen te spelen. Als Ciska dan toch een keertje probeert mee te doen, hebben de andere kinderen dit niet door en negeren ze haar. Ciska druipt af en wil het niet meer proberen. Haar negatieve gedachten worden bevestigd. Met cognitieve therapie kan Ciska worden geleerd om op een andere manier naar zichzelf en de situatie te kijken. Ook kunnen vaardigheden worden aangeleerd, waardoor ze wel weer durft mee te spelen op het schoolplein. Door te oefenen lukt dit uiteindelijk steeds beter. Cognitieve therapie (het denken) en gedragstherapie (het doen) worden hierbij gecombineerd. 

 

Gedragstherapie

Een groot deel van het menselijk gedrag is (ooit) aangeleerd. Gedrag beklijft als er een gunstige beloning tegenover staat. Als de beloning uiteindelijk wegblijft, kan het gedrag blijven bestaan. Ook ‘lastig’ gedrag of problemen komen vaak voort uit aangeleerd gedrag.

In de gedragstherapie wordt naar concreet en observeerbaar gedrag gekeken. Er wordt bekenen wat de functie van het gedrag is (of ooit geweest is), hoe het gedrag in stand wordt gehouden en hoe het gedrag zou kunnen veranderen. De therapeut helpt de ouders en het kind of de jongere om te reageren op voor hen lastige situaties. Zowel het inventariseren van het ‘lastige’ gedrag als het bedenken en oefenen van nieuw, beter passend gedrag doen het kind of de jongere, de ouders en therapeut samen.

 

Voorbeeld:

Simon van 6 heeft gedragsproblemen. Op school doet hij stoute dingen en thuis loopt hij voortdurend van tafel, maakt spullen kapot, wil niet naar bed enzovoorts. Simon is echt een leuk jongetje, maar door de gedragsproblemen vinden andere kinderen en de juf hem vooral ook vervelend. De ouders van Simon willen graag dat Simon beter leert luisteren en de leuke Simon wat vaker tevoorschijn komt. De therapeut kan samen met ouders (en evt school) bekijken wat voor Simon de reden/ functie van zijn gedrag is en hoe dit bijgesteld kan worden.